Overgave

Er zijn nu wel erg veel vliegjes dus je besluit je vuilniszakken weg te brengen, de zak van deze week en de zak van vorige week die op het balkon ligt. De zak van vorige week hou je beet boven de schone keukenvloer terwijl je heel lang wacht om te kijken of hij lekt. Hij lekt niet, dat is fijn nu kan je hem wegbrengen.

Op blote voeten, gekleed in korte pyjamashorts en een wijde witte trui loop je de portiektrap naar de straat af. De granieten traptreden voelen heerlijk koel en glad aan onder je blote voeten. Het is vrijdagmorgen en het is nog rustig op straat, gelukkig maar want je bent niet fatsoenlijk gekleed. Terwijl je de eerste straat oversteekt denk je aan injectienaalden. Aan de overkant houd je wacht op de stoep in een heldere streep gouden ochtendlicht omdat er langzaam een volle bus mensen langsrijdt.

Dan steek je de tweede straat over maar doordat je haar steeds voor je ogen gaat kun je de grond niet goed afspeuren naar injectienaalden en de straat niet goed controleren op naderend verkeer. Eigenlijk is de vuilcontainer vol, door jouw vuilniszakken kan de klep niet meer helemaal dicht, maar je kiest ervoor om het zo te laten.

Hehehe

Gister was het 10 september en een jaar geleden draaide ik de prak in, omdat ik mijn fantasie niet van de werkelijkheid kon onderscheiden. Ik dacht dat ik de staatsloterij zou winnen, maar ik won vijf euro en verloor mijn zelfvertrouwen en het weinige beetje zelfliefde dat ik had verzameld.

Deze ervaring had ik heel hard nodig om opengemaakt te worden, als een ei werd ik gekraakt, mijn zachte kern is langzaam naar buiten komen glibberen en in plaats van dat ik uit alle macht probeer een fraai wit strak eitje te zijn ben ik nu zachte smurrie en zachte smurrie is minder bang want het is minder kwetsbaar want het weet dat het maar gewoon zachte smurrie is en eigenlijk is dat misschien wel veel en veel beter.

*

Ik heb een planetenboek voor kinderen bij de bieb gehaald en naar de aarde wordt gerefereerd als ‘zomaar een rotsblokje.’ Zomaar een rotsblokje!

Ik zie mijn energieveld voor me als een grote bal om mij heen, met daarin van die lange sierlinten zoals aan het stokje van een cheerleader. De linten schieten krullend door mijn energieveld en raken mij onvermijdelijk, en de mensen in mijn veld hopelijk ook. Ik heb zoveel vrolijke energielinten om mij heen stuiteren dat ik meer dan genoeg voor mezelf heb, en meer dan genoeg om het te delen met de mensen om mij heen, die eigenlijk helemaal geen mensen zijn maar zielen die de sprong naar de aarde hebben gemaakt, een sprong de blubber in, om er weer als een witte lelie bovenuit te schieten. Maar niemand kan het alleen, ik al helemaal niet en ik weet dat ik vrolijke energie heb omdat ik bij de anderen mag zijn. En een beetje af kan kijken hoe zij het doen, en dat een beetje imiteren.

Hoera

Ik lepel het laatste restje roeryoghurt uit de beker, terwijl ik sta te bedenken hoe trots ik ben op de mensheid. In mijn hoofd begint een koor te zingen,

sereen gezang stroomt over van verknochtheid en ontzag voor humanity, lieve oude dappere humanity.

*

Op mijn reis door Portugal kwam ik zonder voorkennis in een bedevaartsoord terecht. In Fatima is er een luikje naar een zolder vol vertrouwen geopend. Ik klim de ladder omhoog en wauw allemaal netjes gesorteerde transparante bewaardozen VOL MET VERTROUWEN

*

Françoise Hardy zingt met galmende Franse trappenhuisstem mijn Parijse dromen weer tot leven, de heks. Er is een wonder gebeurd en ik zie in de heldere ogen van mijn medemens dat ze het me gunnen, dat ze het me altijd al gunden maar dat ik niet in staat was om dat te zien. Ik zag alleen maar verdriet in de ogen van de mensen om mij heen, alles deed me pijn en alles maakte me bang.

Nu zie ik iets heel anders, ik zie een onbegrensde kracht, die zo wijs en ongeremd uit die gezichten stroomt, dat hij onverstoorbaar, onverschillig bijna, zijn weg naar mijn hart vindt.

Het voelt alsof ik de laatste ben die een geheim ontdekt, een raadsel dat iedereen al lang ontcijferd had, maar dat nu eindelijk ook door mij gekraakt is.

Ik snap het niet

Ik sta met een Franse vrouw te praten op een uitgedroogd kampeerveld. Ze legt me uit wat er met haar voet gebeurd is. Ze heeft twintig jaar geleden een auto ongeluk gehad. Haar voet brak op verschillende plaatsen. Ze laat het me zien en pakt mijn hand beet om aan me steunen. Het voelt heel goed. Ik voel me heel fijn bij deze vrouw, ik ontspan, ik luister, ik kijk in haar ogen die door haar bril vergroot worden. Ik zie de littekenlijntjes over haar voet lopen. De dokters zeiden destijds dat er niets met haar voet aan de hand was, dat het in haar hoofd zat.

Ze is niet zo lang, ik ben een kop groter. Ik schat haar halverwege de zestig, ze heeft kort blond piekhaar en draagt een oranje jurk met gele bloemen, boterbloemen denk ik. Ze steunt best wel veel aan mijn hand, in mijn fantasie kan ik haar niet houden en vallen we om en bezeert ze zich verschrikkelijk. Ik voel me er al bijna rot over, maar eigenlijk voel ik me helemaal niet rot; iets anders trekt namelijk mijn aandacht, iets heel erg opvallends.

Ik snap niet goed waar het vandaan komt maar ik voel zoveel genegenheid dat het tastbaar is; ik voel het in de lucht. Een kledinghanger met een zachtroze bontjas wordt naar beneden getakeld, als een worm aan een vislijn, en blijft stil voor me hangen. Het is precies de kleur roze als een wollen pop die ik vroeger had, suikerspinnerig. Ik trek het rare jasje aan en het past me als gegoten, het zit heel lekker, ik vouw mijn armen om me heen en wieg tevreden heen en weer. Het Franse vrouwtje krijgt tranen in haar ogen en ik leg mijn hoofd op haar schouder en merk al doende dat ze hetzelfde roze bontjasje aanheeft als ik, maar dan in haar maat, iets groter en haar jas is vaker gedragen dan die van mij.

Vreemde lucht in de keuken

Een paar dagen geleden rook ik een rare lucht in de keuken. Ik herkende de geur meteen: ontbindende muis. Ik heb een muizentrauma waar ik niet op in wil gaan, ik dacht dat ik echt van ze af was, maar ik rook onmiskenbaar ontbindende muis.

Ik verschoof het probleem naar de toekomst door in de woonkamer te ontbijten. Het was wel lekker, beschuit met anijshagel, maar ik kon alleen maar aan de ontbindende muis denken die waarschijnlijk net als Toen in het condensreservoir van de koelkast lag.

Na het ontbijt kon ik kiezen: ging ik weg of koos ik voor de muis? Ik greep mezelf bij elkaar, knoopte een theedoek voor mijn neus en mond, pakte een klein kartonnen doosje en begon aan de koelkast te trekken. Ik beschadigde mijn innerlijk netvlies al lelijk met visualisaties van de staat waarin ik de muis zou aantreffen. Ik had de koelkast van zijn plek geschoven en het moment om te gaan kijken was daar. Ik knielde op de keukenvloer als een bandiet die ging kijken of het dynamietlont wel goed was aangestoken, ik hield mijn adem in.

Geen muis te vinden. Zelfs niet in het condensreservoir waar ik nog de sporen van de vorige muis kon zien. Ik maakte de theedoek los en snoof. Ik snoof diep met mijn neus in het condensreservoir. Ik rook niets, dit was niet het epicentrum van de geur.

Ik pakte de stofzuiger en stofzuigde de keuken, klikte de stang met borstelding eraf en zoog alle troep en stof en kruimels van het aanrecht, het fornuis, achter de koelkast, onder de koelkast, tussen de onderdelen aan de onderkant van de koelkast en tussen de verwarming. Ik pakte vochtige reinigingsdoekjes en poetste alles, snoof aan alles, maar ik bleef de lucht ruiken, het dreef met vlagen door de lucht, nog even erg als eerst. Ik zette mijn vuilnisbakje op het balkon, (expres een kleine, zodat ik hem vaak moet verschonen, zodat er geen vieze luchtjes ontstaan) maar ik wist dat het niet uitmaakte.

Ik vroeg raad aan mijn ouders via Whatsapp. Mijn moeder zei dat het het afvoerputje kon zijn. Het afvoerputje natuurlijk! Met deze hittegolf gaan afvoerputjes natuurlijk stinken! Ik snoof diep aan het putje in de wasbak en dwong mezelf om te besluiten dat de geur daarvandaan kwam. ‘Water met bleek erin’ zei mijn moeder, ik deed het. Mijn vader typte dat hij dacht dat het etensresten konden zijn, maar nee, mijn vuilnisbakje stond op het balkon. Mijn moeder vroeg of ik de buurman nog had gezien de afgelopen tijd. Dat ik anders de politie moest bellen. Ik dacht erover na en ja, ik had hem gister nog op straat zien lopen in een blauw t-shirt.

Ik controleerde of de bleektruc inmiddels al gewerkt had. Ik liet het water weglopen en rook aan het overloopje en het putje. Nee, ik rook niet zoveel maar mijn afwassponsjes meurden wel dus die gooide ik weg.

Ik raadpleegde het internet: ‘rottingslucht in keuken.’ Na een kwartiertje op forums lezen besloot ik dat er waarschijnlijk toch een dode muis tussen de vloeren of achter de muur lag. Daar kon ik niks aan doen en een golf van geluk overspoelde me: het was niet mijn schuld. Zo’n dode muis lost zichzelf binnen drie weken op, ik hoefde niks open te breken, ik zou gewoon komende drie weken wierook branden.

De koelkast had ik weer op zijn plaats gezet, ik haalde mijn ontbijtbordje uit de woonkamer en ging de afwas doen. De wierook verbloemde de geur redelijk, maar omdat ik mijn ramen en balkondeur open had werd de wierook/lijklucht het hele huis doorgeblazen. Ik maakte een sopje en begon aan de afwas. Behalve mijn ontbijtbordje stond er ook wat vaat van twee avonden daarvoor, ik was de avond daarvoor in de stad gaan eten. Twee avonden ervoor had ik gezond gekookt, ik doe mijn best om goed voor mezelf te zorgen, ik had broccoli gestoomd in een klein laagje water om de vitamines zoveel mogelijk te behouden. En een groenteburger erbij. Na die maaltijd had ik mijn bord op de pan met het laagje broccolivocht van een halve centimeter gezet, om het nu weer te ontdekken, als Indiana fukking Jones, die godverdomme eindelijk de heilige graal vindt, met twee dode vliegjes erin, de heilige graal werkt blijkbaar niet voor vliegjes.

De metro in Milaan

Ik stond in een volle metrotrein in het centrum van Milaan, ik was op weg naar mijn hostel. Even daarvoor was ik op het vliegveld aangekomen en had de bus naar de stad genomen. De belofte die ik mezelf had gemaakt om nooit meer alleen op vakantie te gaan had ik verbroken, ik zou er al snel spijt van krijgen, maar op dat moment nog niet.

Het signaal dat de metrodeuren zouden sluiten werd gegeven. Het klonk anders dan thuis maar ik kan het in tekst lastig nabootsen, ook omdat ik het me niet meer precies kan herinneren. Twee vrouwen renden op de wagon af waar ik in stond en een van hen sprong net op tijd tussen de sluitende deuren door. De ander probeerde de deuren tegen te houden, tevergeefs. Haar rechterhand kwam klem te zitten en haar vingers staken tussen de sluitrubbers door de coupé in, ze kon ze gelukkig nog terugtrekken. De vingers verdwenen in slow-motion. De vrouwen keken elkaar verbluft aan en gebaarden dat ze zouden bellen. De metro begon te rijden en het perron veranderde in een zwarte tunnel.

Drie haltes later hoorde ik een hoog metalig geluid, alsof iemand een tik op een xylofoon gaf. Ik zag iets glimmends over de grond bewegen en greep het voor het verdwenen was. Het was nog steeds druk in de coupé, veel mensen hadden geen zitplaats. Toen vijf minuten later de vrouw die van haar vriendin gescheiden was de metro verliet ging ik er ook uit. Ze ging op een bankje op het perron zitten. Ik liep op haar af met mijn rolkoffer en ze keek naar me op toen ik voor haar stond. Ik probeerde mezelf door haar ogen in te schatten, ik word namelijk vaak voor zwerver aangezien als ik op reis ben, maar haar vragende blik verraadde niets anders dan de vraag waarom ik voor haar stond. ‘From your friend’ zei ik toen ik haar een zilveren diamanten ring gaf en gierend gelukkig wegliep zonder om te kijken.

Wenkbrauwen

Het is tijd om te bekennen dat ik van nature bijna geen wenkbrauwen heb. Ze zeggen dat het de fundering van je gezicht is en dus is mijn gezicht in de problemen. Deze gelaatstrek (of het gebrek eraan) heb ik van mijn moeder, zij komt ’s ochtends niet beneden voordat ze de kleurplaat op haar gezicht heeft ingekleurd. (Dit klinkt wel hard nu ik het zo zie staan)

Ik snap niet waarom mijn moeder en ik ze niet hebben, het is onlogisch, we hebben allebei bruin haar, waarom dan doorzichtige wenkbrauwen? Mijn zus, die buitenaards knap is en niet op mij en mijn broers lijkt, heeft blond haar en die trut is gezegend met dikke donkerbruine strepen boven haar ogen.

De ogen van mijn zus, laten we het daar eens over hebben. Mijn zusje is iemand die lichtgroene, wat zeg ik, lindegroene ogen heeft, en die zo verschrikkelijk wijs en intelligent en doorgrondend zijn dat wanneer je haar aankijkt je zin krijgt om jezelf in een grote bal van dekens te wikkelen en te huilen totdat je op een gegeven moment er mee moet stoppen omdat je trek krijgt in wat lekkers.

Wat lekkers, laten we het daar eens over hebben. Ik heb steeds een nieuwe verslaving die meestal een paar weken duurt voor ik weer iets anders gevonden heb. De dingen waar ik momenteel onbehouwen vaak trek in heb zijn:

1: Appels (ik verslind ze, ik slik ze bijna in het geheel door, heb soms ook wel buikpijn, ik wil ze het liefst drinken, wat dacht je dan van appelsap zou je zeggen, oja)

2: Wortelsalade (zie punt 1 en dan zou wortelsap ook een goede oplossing zijn tegen de buikpijn)

en 3: Ijskoffie van de Hema (dat is namelijk de allerzoetste, allergrootste, allergoedkoopste en je krijgt er echt buitensporig veel slagroom bij, en dan ook nog eens van het dikste dus het beste soort).

Gister was ik in een gezellige bui met mezelf en ik besloot dat ik twee ijskoffie’s mocht maar achteraf gezien was dat toch iets te veel van het goede want de hele wereld was in mijn ogen opeens gezonder en fitter dan ikzelf en daar had ik toen wel moeite mee.

Mijn vaders overlevingstactieken

Mijn vader heeft manieren ontwikkeld om grip te houden op het leven. Ik zal er een paar uit de doeken doen, wellicht dat iemand anders er ook baat bij heeft.

Een van die manieren is het benoemen van dingen die hij herkent. Het was een gewoonte in ons gezin om na het avondeten een film te kijken. Tegenwoordig komt het niet vaak meer voor, maar af en toe kijk ik nog een film met mijn ouders. We zitten voor de tv, de film begint. De eerste tonen van een nummer klinken door de kamer. We kennen het nummer allemaal, niet alleen wij, maar ook het zevenjarige buurmeisje en de bipolaire postbode kennen het nummer. Mijn vaders gezicht licht op en stralend roept hij de titel van het nummer, de artiest en als hij er op kan komen ook het album waar het nummer op staat.

Nog een situatie. We zitten in de auto, mijn ouders, mijn broer, zus en ik. Mijn zus vertelt een intens verhaal over iets dat ze die week heeft meegemaakt. Mijn vader kijkt tijdens het verhaal strak voor zich uit en zegt geen woord. Dan plots komt hij tot leven, zijn ogen worden groot. Dwars door een gevoelige ontboezeming van mijn zus roept hij: ‘FORD ANGLIA 100E UIT 1959!’ terwijl zijn wijzende hand naar rechts schiet en op vijf centimeter van mijn moeders gezicht in de lucht blijft hangen.

Een andere variant van gedrag waar mijn vader houvast aan ontleent is veel dingen vragen. Mijn moeder heeft gekookt, we zitten aan tafel. Er staan twee salades op tafel, en nog een paar pannen met eten. Mijn vader kijkt naar de twee salades waarvan de verschillende ingrediënten duidelijk zichtbaar zijn. Voordat hij aanstalten maakt om op te scheppen vraagt hij: ‘wat is het verschil?’

Een vergelijkbaar voorbeeld, ook bij het avondeten. De tafel is gedekt, de pannen en schalen staan klaar om uit op te scheppen, mijn vader kijkt de tafel rond, kijkt naar het eten dat mijn moeder bereid heeft, kijkt mijn moeder aan en vraagt haar: ‘Wat is de bedoeling?’

Het herbeleven van dingen die hij in het verleden heeft leren kennen is voor mijn vader een aanvullende strategie die hij inzet om de realiteit bevattelijk te houden. Eetbaar snoeppapier smaakt net als dat wat je vroeger in de kerk kreeg tijdens de mis. Mijn vader houdt daarom van eetbaar papier en vreet zo een pak droog op.

Een gesprek met de Kosmos

K: Lieve Tessa we zijn allemaal heel erg trots op je.

T: Dankuwel lieve Kosmos.

K: De platanen zijn aan het vervellen. Na jaren laten ze nu hun oude bast vallen.

T: Net als ik bedoel je?

K: Ja, net als jij, en met jou vele anderen.

T: Ik vier een pyjamafeest bij Hotel New York.

K: Ja, we zijn blij als je dit soort dingen doet.

T: Lieve Kosmos ben ik al klaa, wacht, even opnieuw. Ik ben klaar voor een relatie, merk je het? Ik ben stabiel aan het worden. Ik ben verschrikkelijk trots op mezelf, ik heb het door!

K: Ja je hebt het door, wij zijn nog trotser op jou dan je je kunt voorstellen. En ja, je bent er klaar voor.

T: Hoorde je me denken dat ik mezelf nog kan verbeteren? En direct erna dacht ik; het is goed zo.

K: Je mag jezelf wat meer veren in je kont steken. Daar heb jij niemands toestemming voor nodig.

T: Ja, ik ben bang dat ik naast mijn schoenen ga lopen. Maar aan de andere kant denk ik dat naast je schoenen lopen een onmogelijk iets is, omdat smaak subjectief is. Nou, ja.. naast je schoenen lopen is niet onmogelijk, het is alleen de vraag of het nou echt zo erg is.

K: Juist. Je mag je als mens naar je eigen smaak vormen, en daar voor gaan staan. Dat is ook wel een beetje de bedoeling, maar dat hoef ik je niet meer uit te leggen. Hoop ik.

T: Oh wat fijn! Okee ik ga mijn best doen.

K: Of misschien iets minder je best doen. Dingen gewoon laten zijn.

T: Oja.

 

Ik vlieg op mijn skates over het zwarte asfalt. Ik heb veel meer energie dan ik dacht, ik wil alles dubbel doen! Ik lijk wel een kunstschaatser! Ik zwenk en hang schuin en maak lange slagen. Ik ga snel en omdat ik skates van een goede kwaliteit heb maken mijn wielen bijna geen geluid op het wegdek.

Ik zit op een terras op de Kop van Zuid, ik heb even pauze. Die man aan de tafel naast mij moet zijn irritante muil houden, elke keer als hij lacht slaat hij twee bakstenen tegen elkaar. Ik mag dit niet denken maar ik heb het al gedacht.

Rufus

Lieve Rufus

Ik weet nog goed dat ik je voor de eerste keer zag. Het was in het najaar van 2009, na afloop van een kunstenaarspresentatie in de Witte de With straat. Ik zat op de kunstacademie en die lezing was een projectonderdeel.

Iedereen stond op de stoep nog even na te praten. Ik vond de lezing heel leuk, dat was bijzonder; ik hield toen al niet zo van kunst.

Opeens klonk er een lach boven de stemmen uit, hard en hoog. Als we in een stripverhaal hadden geleefd was er een denkwolk met een uitroepteken boven mijn hoofd verschenen.

Ik keek wie zo maniakaal ongeremd stond te lachen en jij was het Rufus. Je was groot en je zag er scherp uit, hele scherpe ogen, krullend haar. Je deed me denken aan de domste dief van Home Alone.

Je praatte met een van mijn klasgenoten, daarna ging je weg en bij het weggaan heb je gauw een lichtblauw vogeltje in mijn hand gedrukt, en een toverstokje in de andere, met een vonkje aan de punt. Ik gebruik het stokje nog steeds, heel af en toe, om mannetjes mee in mijn hoofd te toveren.