Ik snap het niet

Ik sta met een Franse vrouw te praten op een uitgedroogd kampeerveld. Ze legt me uit wat er met haar voet gebeurd is. Ze heeft twintig jaar geleden een auto ongeluk gehad. Haar voet brak op verschillende plaatsen. Ze laat het me zien en pakt mijn hand beet om aan me steunen. Het voelt heel goed. Ik voel me heel fijn bij deze vrouw, ik ontspan, ik luister, ik kijk in haar ogen die door haar bril vergroot worden. Ik zie de littekenlijntjes over haar voet lopen. De dokters zeiden destijds dat er niets met haar voet aan de hand was, dat het in haar hoofd zat.

Ze is niet zo lang, ik ben een kop groter. Ik schat haar halverwege de zestig, ze heeft kort blond piekhaar en draagt een oranje jurk met gele bloemen, boterbloemen denk ik. Ze steunt best wel veel aan mijn hand, in mijn fantasie kan ik haar niet houden en vallen we om en bezeert ze zich verschrikkelijk. Ik voel me er al bijna rot over, maar eigenlijk voel ik me helemaal niet rot; iets anders trekt namelijk mijn aandacht, iets heel erg opvallends.

Ik snap niet goed waar het vandaan komt maar ik voel zoveel genegenheid dat het tastbaar is; ik voel het in de lucht. Een kledinghanger met een zachtroze bontjas wordt naar beneden getakeld, als een worm aan een vislijn, en blijft stil voor me hangen. Het is precies de kleur roze als een wollen pop die ik vroeger had, suikerspinnerig. Ik trek het rare jasje aan en het past me als gegoten, het zit heel lekker, ik vouw mijn armen om me heen en wieg tevreden heen en weer. Het Franse vrouwtje krijgt tranen in haar ogen en ik leg mijn hoofd op haar schouder en merk al doende dat ze hetzelfde roze bontjasje aanheeft als ik, maar dan in haar maat, iets groter en haar jas is vaker gedragen dan die van mij.

Vreemde lucht in de keuken

Een paar dagen geleden rook ik een rare lucht in de keuken. Ik herkende de geur meteen: ontbindende muis. Ik heb een muizentrauma waar ik niet op in wil gaan, ik dacht dat ik echt van ze af was, maar ik rook onmiskenbaar ontbindende muis.

Ik verschoof het probleem naar de toekomst door in de woonkamer te ontbijten. Het was wel lekker, beschuit met anijshagel, maar ik kon alleen maar aan de ontbindende muis denken die waarschijnlijk net als Toen in het condensreservoir van de koelkast lag.

Na het ontbijt kon ik kiezen: ging ik weg of koos ik voor de muis? Ik greep mezelf bij elkaar, knoopte een theedoek voor mijn neus en mond, pakte een klein kartonnen doosje en begon aan de koelkast te trekken. Ik beschadigde mijn innerlijk netvlies al lelijk met visualisaties van de staat waarin ik de muis zou aantreffen. Ik had de koelkast van zijn plek geschoven en het moment om te gaan kijken was daar. Ik knielde op de keukenvloer als een bandiet die ging kijken of het dynamietlont wel goed was aangestoken, ik hield mijn adem in.

Geen muis te vinden. Zelfs niet in het condensreservoir waar ik nog de sporen van de vorige muis kon zien. Ik maakte de theedoek los en snoof. Ik snoof diep met mijn neus in het condensreservoir. Ik rook niets, dit was niet het epicentrum van de geur.

Ik pakte de stofzuiger en stofzuigde de keuken, klikte de stang met borstelding eraf en zoog alle troep en stof en kruimels van het aanrecht, het fornuis, achter de koelkast, onder de koelkast, tussen de onderdelen aan de onderkant van de koelkast en tussen de verwarming. Ik pakte vochtige reinigingsdoekjes en poetste alles, snoof aan alles, maar ik bleef de lucht ruiken, het dreef met vlagen door de lucht, nog even erg als eerst. Ik zette mijn vuilnisbakje op het balkon, (expres een kleine, zodat ik hem vaak moet verschonen, zodat er geen vieze luchtjes ontstaan) maar ik wist dat het niet uitmaakte.

Ik vroeg raad aan mijn ouders via Whatsapp. Mijn moeder zei dat het het afvoerputje kon zijn. Het afvoerputje natuurlijk! Met deze hittegolf gaan afvoerputjes natuurlijk stinken! Ik snoof diep aan het putje in de wasbak en dwong mezelf om te besluiten dat de geur daarvandaan kwam. ‘Water met bleek erin’ zei mijn moeder, ik deed het. Mijn vader typte dat hij dacht dat het etensresten konden zijn, maar nee, mijn vuilnisbakje stond op het balkon. Mijn moeder vroeg of ik de buurman nog had gezien de afgelopen tijd. Dat ik anders de politie moest bellen. Ik dacht erover na en ja, ik had hem gister nog op straat zien lopen in een blauw t-shirt.

Ik controleerde of de bleektruc inmiddels al gewerkt had. Ik liet het water weglopen en rook aan het overloopje en het putje. Nee, ik rook niet zoveel maar mijn afwassponsjes meurden wel dus die gooide ik weg.

Ik raadpleegde het internet: ‘rottingslucht in keuken.’ Na een kwartiertje op forums lezen besloot ik dat er waarschijnlijk toch een dode muis tussen de vloeren of achter de muur lag. Daar kon ik niks aan doen en een golf van geluk overspoelde me: het was niet mijn schuld. Zo’n dode muis lost zichzelf binnen drie weken op, ik hoefde niks open te breken, ik zou gewoon komende drie weken wierook branden.

De koelkast had ik weer op zijn plaats gezet, ik haalde mijn ontbijtbordje uit de woonkamer en ging de afwas doen. De wierook verbloemde de geur redelijk, maar omdat ik mijn ramen en balkondeur open had werd de wierook/lijklucht het hele huis doorgeblazen. Ik maakte een sopje en begon aan de afwas. Behalve mijn ontbijtbordje stond er ook wat vaat van twee avonden daarvoor, ik was de avond daarvoor in de stad gaan eten. Twee avonden ervoor had ik gezond gekookt, ik doe mijn best om goed voor mezelf te zorgen, ik had broccoli gestoomd in een klein laagje water om de vitamines zoveel mogelijk te behouden. En een groenteburger erbij. Na die maaltijd had ik mijn bord op de pan met het laagje broccolivocht van een halve centimeter gezet, om het nu weer te ontdekken, als Indiana fukking Jones, die godverdomme eindelijk de heilige graal vindt, met twee dode vliegjes erin, de heilige graal werkt blijkbaar niet voor vliegjes.

De metro in Milaan

Ik stond in een volle metrotrein in het centrum van Milaan, ik was op weg naar mijn hostel. Even daarvoor was ik op het vliegveld aangekomen en had de bus naar de stad genomen. De belofte die ik mezelf had gemaakt om nooit meer alleen op vakantie te gaan had ik verbroken, ik zou er al snel spijt van krijgen, maar op dat moment nog niet.

Het signaal dat de metrodeuren zouden sluiten werd gegeven. Het klonk anders dan thuis maar ik kan het in tekst lastig nabootsen, ook omdat ik het me niet meer precies kan herinneren. Twee vrouwen renden op de wagon af waar ik in stond en een van hen sprong net op tijd tussen de sluitende deuren door. De ander probeerde de deuren tegen te houden, tevergeefs. Haar rechterhand kwam klem te zitten en haar vingers staken tussen de sluitrubbers door de coupé in, ze kon ze gelukkig nog terugtrekken. De vingers verdwenen in slow-motion. De vrouwen keken elkaar verbluft aan en gebaarden dat ze zouden bellen. De metro begon te rijden en het perron veranderde in een zwarte tunnel.

Drie haltes later hoorde ik een hoog metalig geluid, alsof iemand een tik op een xylofoon gaf. Ik zag iets glimmends over de grond bewegen en greep het voor het verdwenen was. Het was nog steeds druk in de coupé, veel mensen hadden geen zitplaats. Toen vijf minuten later de vrouw die van haar vriendin gescheiden was de metro verliet ging ik er ook uit. Ze ging op een bankje op het perron zitten. Ik liep op haar af met mijn rolkoffer en ze keek naar me op toen ik voor haar stond. Ik probeerde mezelf door haar ogen in te schatten, ik word namelijk vaak voor zwerver aangezien als ik op reis ben, maar haar vragende blik verraadde niets anders dan de vraag waarom ik voor haar stond. ‘From your friend’ zei ik toen ik haar een zilveren diamanten ring gaf en gierend gelukkig wegliep zonder om te kijken.