Dear Dick

Rotterdam, 26-6-2018

Dear Dick,

Vandaag heb ik weer wat brandjes geblust. Ik ben erg trots op mezelf. Vanochtend op de fiets was ik niet gelukkig, ik probeerde te ontdekken waarom niet. Toen snapte ik dat het een valstrik was en besloot ik om gelukkig te zijn. Later gebeurde iets soortgelijks, de oplossing was hetzelfde.

Mijn brein is als een persoon die graag zijn tengels in kaarsvet doopt. Elke keer opnieuw worden de tengels in de hete was gestopt terwijl het brandt, maar het is zo moeilijk om het niet te doen.

Maar Dick, ik hoef jou niet uit te leggen dat ik het doorheb, ik heb mijn brein in de smiezen, ik kijk door het vizier van mijn met zwart-groen gaas omhulde jachtgeweer en mijn brein voelt het, mijn brein voelt zich betrapt, bevriest bij de realisatie en BAM -ik knal mijn brein tegen de vlakte. Mijn brein blijft even liggen, ik kijk ernaar. Het zal niet lang duren voor het weer overeind zal komen maar ik ben nu alert, het zal niet meer zo moeilijk zijn. Mijn brein merkt dit en schrikt. Probeert iets te bedenken, raakt nog meer in de stress, maar staat met lege handen.

Mijn brein richt zijn hoofd op en kijkt me recht in de ogen, en toont me zijn lege handen.

 

Liefs, Tessa

Ursula

De laatste tijd zie ik steeds vrouwen die me aan Ursula de Zeeheks doen denken. Het zal komen door een combinatie van kort haar dat is opgeschoren bij de nek, heftig gekromde wenkbrauwen, en een wat grovere lichaamsbouw.

Mijn jeugd is gebaseerd op De Kleine Zeemeermin, de invloed van deze Disneyfilm blijft zich nog regelmatig aan me openbaren. Ik wilde als kind niets liever dan Ariël zijn. Ik hing over de leuning van de bank zoals Ariël over haar lievelingsrots hing. Ik kamde mijn haren met bestek en ik heb mezelf herhaaldelijk in gevaar gebracht door mijn benen stijf tegen elkaar te houden bij het zwemmen in de Wilgenring. Wat ik het aller allerliefst deed was de scène naspelen waarin Ariël benen krijgt van de zeeheks, in ruil voor haar stem. Ariël moest voor een bepaalde tijd zingen, de tekst maakte niet uit, zolang het maar lang genoeg duurde om het stemgeluid op te zuigen in Ursula’s schelpenketting.

Ariël twijfelde niet lang en koos voor het zingen van een langgerekte A. Mijn halve kindertijd heb ik, in bad en daarbuiten, de langgerekte A gezongen. Ik heb mijn omgeving onbeperkt de kans gegeven om mijn stem in schelpen te vangen, wat men ook deed, totdat ik was veranderd in een oester.

Ik ben aan het bedenken wat de les van dit verhaal is, en ik geloof dat ik het snap. Ariël kiest er zelf voor om haar stem in te ruilen. Ariël DOET HET ZELF, net zoals ik het altijd zelf heb gedaan.

Ik heb een grote foto van prins Erik als mijn bureaublad-achtergrond, hij lacht een beetje met medelijden naar me als ik mijn laptop openklap, waar ik hem geen ongelijk in kan geven. Zelf is hij erg stoer en daadkrachtig, er zijn talloze voorbeelden. Een goed voorbeeld is de scène waarbij zijn schip in brand staat: het stormde op zee en de bliksem was in de mast geslagen. Iedereen was al van het schip af, behalve Max, Eriks hond.

Erik ging terug om zijn hond te halen, wat natuurlijk heel gevaarlijk was. Iedereen riep dat hij het niet moest doen, maar probeer Erik maar eens tegen te houden als de adrenaline en de stresshormonen door z’n lekkere aderen knetteren. Grimbert, Eriks beste vriend, riep vanuit de reddingssloep nog een belangrijk detail; HET BESCHUIT.  Ik dacht als vijfjarige: Oja, het beschuit moet Erik ook niet vergeten, en in de film kregen we een houten vat met beschuit te zien. Erik dacht: stik maar in dat beschuit, ik ga toch voor de hond, en hij deed een onbesuisde graai naar Max, die flink in paniek was. Op het moment dat Erik en Max de reling af sprongen, de zee in, ontplofte de hele driemaster, en ruim tien jaar later begreep ik dat Grimbert het over buskruit had.

Inmiddels begrijp ik nog meer, ik heb de tijd genomen om er over na te denken. Ik begrijp dat kinderen aandacht van hun ouders nodig hebben, dat speelgoed krijgen en tekenfilms kijken niet genoeg is. Kinderen begrijpen heel veel dingen niet, maar het wordt lastig als ze niet te veel willen vragen aan hun ouders, omdat ze niet lastig willen zijn. Omdat ze merken dat hun ouders het al lastig vinden om zichzelf aandacht te geven.

Ik kijk nog steeds regelmatig op YouTube de slotscène van De Kleine Zeemeermin. Ik begreep eerst maar niet waarom ik elke keer moest huilen bij het kijken van dit stuk, terwijl het zo klaar is als een klontje. Ariëls vader, Koning Triton, richt zijn drietand op zijn dochter en kijkt haar liefdevol aan, terwijl haar vissenstaart wordt omgetoverd in benen, zodat ze haar eigen weg kan gaan, op eigen benen kan staan, en gelukkig kan zijn.

Vleermuis

Ik ben een vleermuis. Hoe meer ik erover nadenk, hoe zekerder ik het weet. Acht jaar geleden was ik al een vleermuis. Ik had een jas met enorme flappen onder de mouwen, ik flapte ermee als ik rondliep.

Elke keer als ik in de spiegel kijk ben ik bang voor wat ik zal zien. Ik ben bang dat mijn armen te stevig zijn, dan mag ik niet eten waar ik zin in heb. Ik ben bang dat mijn gezicht pafferig is, dan moet ik weer aan de groenten en magere yoghurt. Ik zuig mijn energie uit mijn eigen nek, met kleine slokjes, zodat ik het niet helemaal in de gaten heb.

Ik kijk naar andere mensen, mensen die fruit eten en sapjes drinken. Ik kijk naar mensen die boterhammen eten en salade. Zij voorzien hun lichaam van goede energie en leven hun leven, en verspillen geen tijd aan angst, twijfel en verlammende gedachten over het kiezen van hun lunch.

Ik fiets naar de stad, ik wil ijskoffie van de Hema, en lekker daar zitten, ik besluit ervoor te gaan, ik laat me niet weerhouden. Ik denk meteen erna aan watermeloen, wat ook fris en zoet is, en veel gezonder. Ik doorkruis de drukke markt maar heb geen zin om met een kwart watermeloen te lopen en ik heb geen mes, hoe moet ik dat eten? Ik ga naar de Jumbo, pak watermeloen in een bakje, voorgesneden, een plastic vorkje zit erbij. Ze hebben ook ijskoffie, maar wil ik dat echt? Nee, ik zet het weer terug, die van de Hema is lekkerder.

Watermeloen blijkt niet genoeg te zijn en ik wil eigenlijk ergens aan een tafeltje zitten. Ik ga naar Spirit-de cappuccino is goed en het terras is fijn, dan kies ik iets van het buffet. Ik loop erheen maar er is een evenement, het is bomvol, er speelt een band op het terras. Mijn geduld met mezelf raakt op, ik bestel een cappuccino en een croissant en ga ermee binnen zitten, op een wankel krukje voor het raam. De croissant is smakeloos, droog en vet tegelijk, het is een takkeherrie, en ik wil deze croissant niet opeten, deze croissant heeft mij teleurgesteld, deze croissant is zo vet dat ik mijn handen ermee kan insmeren, ik ga weg.

Maar wat wil ik dan? Ik weet het niet, ik wil makkelijk zijn, ik wil DOEN en niet denken, ik wil genieten en blij zijn, maar in plaats daarvan trek ik een vleermuizen-onesie aan in de H&M en staar woedend naar mezelf in de spiegel.

Ik dacht dat ik dit gevecht gewonnen had, ik dacht dat ik gewoon zou eten waar ik zin in had, mezelf energie zou geven en trots op mezelf zou zijn.

Ja, dat dacht ik, maar het is lastig vol te houden als je steeds zoete dingen wil eten en de hele wereld roept dat zoete dingen slecht zijn, dat je er dik van wordt, dat je er alleen maar meer trek van krijgt.

Ja, maar ik voel me zo goed na brood en suiker, ik ga dan stuiteren van geluk, heb alleen maar zin om mensen te knuffelen en grapjes te maken en te dansen en te huilen. Als ik de vleermuis op mijn schouder aan het woord laat, vergruist hij dat Baloe de Beer-syndroom, dan word ik een verdwaalde mier die wanhopig tegen muren opbotst met een stuk fourré koek op haar rug die ze niet mag eten, maar naar de mierenhoop moet dragen, maar waar is die schijtmierenhoop gebleven vraagt ze zich af.

Ergens diep van binnen, waar een witte uil op een tak zit, klinkt een advies, een advies dat ik al ken, maar dat vaak herhaald moet worden omdat ik het steeds vergeet.

Het advies luidt dat ik moet stoppen met deze puzzel, dat er geen patroon of systeem te ontdekken valt, dat ik alleen maar kan kiezen tussen handelen uit liefde en handelen uit angst, en dat ik mijn innerlijke stem moet geruststellen na de handeling, omdat hij immers al gedaan is. Als ik kies waar ik het meest blij van wordt, dan hoef ik niet eens meer gerust te stellen, dan houden alle beesten in mijn hoofd eindelijk hun bek.

Fiets

Zondagochtend trof ik mijn fiets aan met een lekke achterband. Ik ben maandag drie uur bezig geweest met de band plakken, ik had de eerste twee pogingen verkeerde lijm en plakkers.

Deze ochtend wil ik naar het Noordereiland fietsen om daar een rondje te joggen. Even nog wat extra lucht in mijn banden: het ventiel aan het voorwiel begeeft het, de lucht blaast er meteen weer uit. De moed zakt door mijn sportschoentjes heen, de stoep over, de goot in. Andere ventieltjes proberen, werkt niet. Ik moet naar de fietsenmaker maar voel dat ik energie nodig heb, dus eet eerst boterhammen met ontbijtkoek. En cornflakes.

Vol vrolijke kracht wandel ik erheen. De fietsenmaker zoekt een passend ventiel en maakt mijn fiets in een minuut. ‘Een euro’ zegt hij, ‘Geef maar volgende keer.’ Verbluft fiets ik weg.

Zes minuten later zwelt mijn voorband op, als een slang die een rat heeft ingeslikt. Ik stop en kijk ernaar. Mijn binnenband explodeert met een kanonslag. Mijn binnenband lijkt nu op de legging van een zombie.

Ik til het voorste deel van mijn fiets op en loop terug naar de fietsenmaker, ik lijk op een oude boer met een ploegwerktuig. Mijn gezicht staat op onweer, met donderwolken op mijn voorhoofd, bliksemschichten uit mijn ogen. ‘Nog een klein stukje’ zegt een man die langsfietst. ‘Ja’ zeg ik terug.

De fietsenmaker staat met twee anderen een sigaret voor de deur te roken. De fietsenmaker lijkt op Robert de Niro. ‘Niet goed?’ zegt hij als hij naar de zombie-legging kijkt die om mijn velg hangt. ‘Nee’ antwoord ik en hij legt zijn sigaret op de rand van de asbak. Binnen vijf minuten vervangt hij mijn binnen en buitenband. ‘Vijfentwintig euro’ zegt hij, die ene euro hoef ik niet te betalen omdat hij het ventiel van vorige reparatie nu weer terug heeft.

Ik fiets weg met een gevoel dat ik niet kan plaatsen. Blij ben ik niet. Boos ook niet. Of misschien wel, misschien ben ik blij en boos tegelijk, en gaan die twee emoties zo tegen elkaar in dat ze elkaar opheffen, zodat ik me vlak en afgemat voel, als een zombie. Een zombie in een hele korte sportbroek, zwarte sportschoenen, en een donkerblauw T-shirt waar in grote witte letters ‘hot stuff’ op staat.

De fietsrit naar het Noordereiland is spannend, ik heb geen enkel vertrouwen in de fiets meer, elk moment kunnen de wielen uit het frame breken, kan mijn stuur afbreken, en in de val zullen mijn tanden ook afbreken. Toch red ik het intact, maar zin om te joggen heb ik niet meer. Ik ga op een bankje zitten in een parkje dat me doet denken aan het parkje op Pont Neuf. Ik zet mijn gedachten op een rij, ze blijken negatief, en ook redelijk venijnig, en ook best wel dom. Ik zet er andere gedachten tegenover, gedachten waar ik het mee eens ben, en dan ren ik blij weg.

5 juni 2018: Een korte introductie

Ik ben Tessa, geboren in Rotterdam, 1988. Ik ben opgegroeid in Rotterdam-noord, heb daar met mijn ouders, broers en zus gewoond tot mijn twaalfde. We moesten verhuizen omdat de buurkinderen ons pestten en ’s nachts thinner over mijn moeders auto gooiden. We verhuisden naar Bergschenhoek, zodat we weer zorgeloos buiten konden spelen, maar tot mijn grote spijt werd ik op de dag dat we daar gingen wonen in de speeltuin uitgescholden voor ‘bolle’.

Op de middelbare school was het niet veel beter, ik dacht als kind dat ik best leuk was, maar dat bleek niet meer het geval. Ik was opeens verlegen geworden, moest een bril en had de verkeerde rugzak, en ik had geen vrienden overgehouden van de basisschool.

Ik sla een stuk over, in 2011 studeerde ik af aan de kunstacademie, richting Fine Arts, maar doordat ik me vooral richtte op hypochondrie wilde het niet echt vlotten met mijn kunstcarrière.

Buiten het inbeelden van verscheidene kwalen heb ik nog meer problemen voor mezelf uitgezocht, ik maak een selectie om het leuk te houden, ook met je zwaktes benoemen kan je overdrijven. Afgelopen jaren heb ik last gehad van: een sociale angststoornis, een eetstoornis, een minderwaardigheidscomplex, overmoedigheid, bindingsangst met bijbehorende verlatingsangst, manie en depressie, faalangst, add, ocd, een gespleten persoonlijkheid, overgevoeligheid, een algehele overactieve fantasie en vooral een nimmer afwezige piekerstoornis. Alles overlapt elkaar natuurlijk, ik kan het eigenlijk het best omschrijven als blaffende honden in mijn hoofd.

Dus ja, naarmate ik ouder werd kwam ik er steeds meer achter dat ik een Gek ben, dat ik eigenlijk niet vrij zou mogen rondlopen, dat ik het eigenlijk een wonder vind dat ik niet al per ongeluk ben verongelukt.

Ik heb een klein beetje psychische hulp gehad, vijf jaar terug, een aantal sessies met een psycholoog waar het niet mee klikte. Toen zij concludeerde dat het goed voor mij zou zijn als ik werd opgenomen, besloot mijn vader dat dat onzin was.

Ik modderde voort en ging me in mijn brein en achtergrond verdiepen, wat ik erg interessant vond, er kwam van alles aan het licht. Begrijpen waarom je bent zoals je bent bleek veel te doen, ik dacht altijd dat het allemaal mijn eigen stomme schuld was (wat het ook wel een beetje was), maar ik kon blijkbaar niet anders. Dat was een opluchting. Dat is het nog steeds.

Ik ben inmiddels op een punt in mijn leven aangekomen dat ik klaar ben voor een nieuw hoofdstuk. Ik ben van plan om de honden uit te laten, misschien zelfs zonder riempje,  en ik ben van plan om maar gewoon te accepteren dat ik een labiele knurft ben, ik heb er eigenlijk best wel zin in, het lijkt me eigenlijk heel leuk.

4 juni 2018

Vandaag is het 4 juni 2018, de trouwdag van mijn ouders. Vandaag begin ik met mijn blog, en terwijl ik dit doe blaffen de honden in mijn oren dat het een slecht idee is. Zolang ik me kan herinneren blaffen deze honden in mijn hoofd, bij elke stap die ik zet, bij elk woord dat ik uitspreek en elke gezichtsuitdrukking die ik op mijn gezicht laat verschijnen: de honden vinden het verkeerd.

In plaats van dat de honden in een kooi zitten, blaffen ze mij de kooi in.

Slechte ideeën? Domme acties? Debiele uitspraken? Deze honden zullen het mee gaan maken.