Gisteravond

Gisteravond nadat ik fruit bij de supermarkt had gekocht haalde ik mijn fiets van de ketting. Ik heb een dik metalen kettingslot met een blauwe hoes, van de Action. Het was een warme lente avond en er stonden wat jongens met blikjes energydrink voor de deur van de Albert Heijn.

Ik draaide de sleutel in het slot, en waar ik normaal gesproken de losschietende ketting opvang, was ik gisteravond ik een nonchalante/stoere bui en liet ik de zware ketting op de grond vallen. Helaas kwam hij op mijn voet terecht en aangezien ik Havaianas droeg vertrok mijn gezicht in een barbaarse grimas. De jongens hadden niet gezien wat er met mijn kettingslot en tenen gebeurde maar zagen wel de stuiptrekking op mijn gezicht. Ze liepen meteen weg, alsof ze bang waren dat mijn uitstraling van mislukking op hen zou afgeven. Ik probeerde nog overdreven de ketting in mijn fietstas te slingeren, alsof ze dan begrepen wat er was gebeurd, maar ze draaiden zich niet meer om.

Soms zie ik wel eens iemand met een oog dichtgeknepen, of een hinkend been. Ik weet dan in dat korte ogenblik niet of die persoon iets in zijn oog heeft, of een permanente zenuwtrek heeft. Ik weet niet of de hinker een steentje in haar schoen heeft of altijd een beetje mank loopt.

Vorig jaar werkte ik nog in een BH winkel. Een vrouw kwam de zaak binnen met een half opgezwollen gezicht met kleine donkerrode vlekken. Ik vroeg me af of ze er altijd zo uitzag. Ik groette haar, ze groette me terug. Ze vroeg na een tijd te hebben rondgekeken en wat BH’s te hebben gepast of ze even op het bankje achterin de winkel mocht zitten. ‘Natuurlijk!’ was mijn reactie, en ik kreeg het vermoeden dat ik antwoord op mijn vraag zou krijgen. Ze voelde zich niet zo lekker zei ze, en vroeg om een glas water. Ik schonk het voor haar in. Ze pakte het glas dankbaar aan en haar half gezwollen gezicht probeerde een glimlachje te maken. Had ze misschien hoofdpijn vroeg ik haar? Dat had ze wel een beetje want ze was op weg naar de BH winkel met het voorwiel van haar fiets tussen de trambaan gekomen en op haar gezicht gevallen, waarbij haar tand door de lip was gegaan.

Diamantgrot

Samen met vijf collega’s sta ik in een diamantgrot, in een diamantmijn. Het is een redelijk kleine ruimte, met ongeveer dezelfde afmetingen als een gemiddelde woonkamer. De grot wordt verlicht door een kroonluchter die in het midden van het plafond hangt. De kroonluchter schijnt een zacht licht, de muren en het plafond zijn van fonkelend gesteente waardoor het licht van de lamp in stukjes breekt en als gloeiende pantervlekken over ons wordt uitgestrooid. Een van mijn collega’s draagt een zonnebril omdat hij gevoelige ogen heeft—het geeft hem iets nonchalants en feestelijks. Het is een pilotenmodel met gouden glazen en als we hem aankijken zien we alleen ons eigen gezicht. We hakken de stenen los om ze te polijsten en aan de kroonluchter te hangen, die langzaam in omvang toeneemt. Wat heeft dit voor zin zou je zeggen? Het heeft niet echt zin behalve dat het geweldig is.

Willie Wonder

Willibrord Frequin maakte voor een tv-programma een reis door Azië. In het najaar van 2018 zond RTL 4 ‘Beter Laat Dan Nooit’ uit. In een spelshow vraagt een presentatrice hem naar de meest memorabele ervaring van zijn rondreis. Willibrord vertelt dat er iets permanent in hem veranderd is sinds een ochtend in Vietnam. In een park deed een groep oude dames aan ochtendgymnastiek, Willibrord deed mee. Op een gegeven moment moesten ze achter elkaar lopen, in een treintje, en plotseling omdraaien. Willibrord keek iemand van heel dichtbij in de ogen. ‘Ik zag zoveel liefde, vreugde en gezelligheid, toen dacht ik ‘‘Nou, Frequin, het is nu wel afgelopen met die chagrijnigheid’’ en ik ben echt een heel vrolijk kereltje geworden.’

Man in de Hema

Telkens wanneer ik opkijk van mijn boek zie ik iemand snel wegkijken. Dit is de vierde keer. Ik doe alsof ik verder lees. Het is een man met wit haar en een zwarte bril en een verschoten spijkerjas, hij zit bij het raam. Ik leg mijn boek neer en richt mijn hoofd op. Hij merkt het direct. Onze ogen ontmoeten elkaar halverwege de ruimte. Zijn gezicht ontspant en ik sta op, pak mijn boog, span het touw aan en schiet een zuurstok naar hem toe. Hij vangt hem niet maar is er wel blij mee, dat zie ik vanaf hier.

Dame met handschoenen

De jongen loopt met de suikerpot naar de dichtstbijzijnde kassa, er staat een rij, hij heeft geen zin om te kijken of het bij een andere kassa rustiger is. Voor hem staat een vrouw met een lange wollen jas en opgestoken blond haar, ze draagt donkerpaarse leren handschoenen. Ze heeft twee glazen notenkrakers in haar handen. Ze bekijkt de notenkrakers aandachtig, waarna ze ze voorzichtig tegen haar borst houdt. Ze herhaalt dit een paar keer. Ze zijn identiek, misschien wil ze er een voor zichzelf houden denkt de jongen. Op de roltrap ziet hij haar opnieuw, hij leunt een beetje over de rand, ze staat op de roltrap onder hem.

In de dierentuin in het park blijft hij heel lang bij de zeeleeuwen staan. Het stenen bassin is grijsblauw in het licht van de vallende avond. Er liggen twee zeeleeuwen buiten, ze bewegen amper. Ze liggen tegen elkaar, aan de rand van het bad. De jongen haalt een chocolade kerstman uit het aluminium en eet hem in een keer op.

Aan de rand van het palmboombos

Ik drijf plat op mijn buik in de Libische zee. Mijn knieën zouden de bodem kunnen raken. Ik adem via een pijpje, er staat een laag water in de knik, het dreigt in mijn keel te komen, ik laat het zo. De duikbril heeft geslepen glas. Ik grijp met mijn handen in het zand, het door de zee gebroken licht raakt alles. Ik laat het fijne zand langzaam los uit mijn vuisten.

Mijn horloge ligt tikkend op mijn badlaken. In de strandwinkel blaast iemand op een panfluit. Een auto rijdt hard door de bergen, de bochten zijn scherp, de vetplanten bloeien.

Aan de rand van het palmboombos beweegt iets kleins in het zand. Een dier krabbelt naar de oppervlakte. Een krabbetje met een puntige schelp op zijn rug. Hij blijft stil zitten, alsof hij ergens over nadenkt. Dan stapt hij uit de schelp; hij laat hem los, João Gilberto begint te zingen en de krab wandelt weg, waarheen, waarom en voor hoelang is onbelangrijk, de krab mag dat zelf weten en hoeft zich niet te verantwoorden.

Koetsje van glas

Een aantal dingen die ik wil:

  1. Ik wil een baljurk aantrekken, met een hoepel, hij reikt tot de grond. De jurk heeft meerdere lagen van verschillende stoffen; zijde, satijn, brokaat, hij is zwaar. Ik wil lang krullend haar hebben. Ik wil geen schoenen dragen. Ik wil van het uiterste vertrek van de linkervleugel naar de rechtervleugel rennen, omdat men mij dringend nodig heeft in de rechtervleugel.
  2. Ik wil op een paard door een woud galopperen, liever niet in het donker. In het woud staan grote luidsprekers waaruit een een koor klinkt, dat in een onverstaanbare taal een dramatisch stuk uitvoert. Bandieten zitten mij op de hielen maar ik overleef de achtervolging, mijn paard is sneller dan de paarden van de bandieten; zij zijn zwaarder bepakt.
  3. Ik wil een grote sterke donkere man zijn, met leren schoenen met dikke zolen. Ik loop door Rue du Faubourg Saint-Antoine, richting Place de la Nation, op weg naar een voor de lezer onbekend doel, misschien een afspraak met een vooraanstaand lid van het parlement of de inlichtingendienst. Ik loop omdat dit sneller is dan een taxi nemen.
  4. Naakt zwemmen.
  5. Een tompouce-marathon (vergelijkend warenonderzoek).

Het gif aan mijn tanden

Toen ik vijf jaar oud was had ik ‘smurfensnot’ gemaakt door een flinke scheut afwasmiddel in een boterhamzakje te spuiten en dat vervolgens dicht te knopen. Willeke, mijn campingvriendin had het me eerder laten zien. Het was glibberig en koel in je handen.

Ik zat in het gras bij de caravan met het zakje te spelen. Mijn moeder stond met de buurman te praten. Opeens knapte het zakje in mijn gezicht—het spul kwam in mijn ogen, het beet verschrikkelijk, ik kon niks anders dan krijsen, mijn moeder keek geschrokken toe. De buurman had meteen in de gaten was er was gebeurd; hij greep me van de grond, rende met mij in zijn armen naar zijn caravan, naar de douchecabine en draaide de kraan open, het water spoot met volle kracht in mijn ogen.

Jaren later zag ik een aflevering van Try Before You Die waarbij Filemon Wesselink te gast is bij een dorp in de Amazone. Het dorpje bevindt zich diep in de bossen en hanteert sjamanistische gebruiken. Filemon is uitgenodigd om deel te nemen aan een ritueel. Als voorbereiding worden er mieren verzameld, van een andere soort dan we in Nederland tegenkomen. De verzamelde mieren worden opgejut, ik weet niet meer hoe—ik vraag me af hoe je mieren opjut—er zullen meerdere mogelijkheden zijn.

Men komt bijeen in het midden van het dorp en de rite-deelnemers trekken gevlochten ovenwanten aan, waar de mieren in zijn gestrooid. Filemon besluit toch niet mee te doen. Dan beginnen trommelaars te spelen en de gehandschoenden beginnen te bewegen. De muziek is krachtig, de dans wordt stampend uitgevoerd, met de armen boven het hoofd, de handschoenen worden geschud. Het mierengif verspreidt zich in het bloed. Het ritueel duurt lang, zo lang als men het volhoudt en langzaamaan vertraagt de dans, de dansers dansen niet meer maar schuifelen, met gesloten ogen, voor de omstanders valt er steeds minder te zien.

Het ritueel doet me denken aan een verlangen dat ik heb; ik wil een keer per ongeluk in de sloot fietsen. Ik wil niet expres de sloot in sturen, het moet me overvallen. Het smurfensnot, de gifmieren en het in de sloot willen fietsen zijn wonderlijk met elkaar verbonden.

Zwemmen

In de straat achter mijn huis is een nieuw zwembad gebouwd. Het is een indrukwekkend strak vormgegeven gebouw dat als een horizontaal doorgezaagde kubus in de wijk ligt, met okerkleurig gestucte gevels en vierkante ramen. Als ik het zwembad passeer voelt het alsof ik door een schilderij van De Chirico loop, door een van zijn imposante zandkleurige werelden waar de zon altijd laag staat. Ik heb me de afgelopen tijd regelmatig afgevraagd waarom ik nog niet ben gaan zwemmen, een helder antwoord had ik niet.

Vanochtend pakte ik mijn zwemspullen en mijn Rotterdampas en drie minuten later liep ik een lange tegelgang door, op weg naar de kleedkamers. De gang had veel ramen en ik kon mijn huis zien liggen. Er hing een frisse, levendige energie in het gebouw, ik kreeg zin om te rennen. Als ik geen teenslippers aan had gehad maar sokken en schoenen, had ik mijn schoenen uitgedaan en was ik op mijn sokken over de gladde plavuizen gegleden. Na het omkleden en met de kluissleutel van kluis vijfenveertig om mijn pols (waar alleen mijn teenslippers, shirt en Rotterdampas in lagen), begaf ik me naar de hal van het wedstrijdbad. Het was een grote hal, ik zag mensen in de verte baantjes trekken en er was in de dichtstbijzijnde baan een zwemles bezig. Een badmeester zwaaide naar me vanuit de verte. Hij gebaarde dat ik naar hem toe moest komen—wat ik deed—en hij legde me uit wat de bedoeling van alles was, ik oogde ‘alsof ik het niet begreep’.

Onderwaterkijken vind ik een van de mooiste dingen die er zijn, dus heb ik kortgeleden een duikbril (met neusstuk) bij de Decathlon op de Coolsingel gekocht. De bril is een large, omdat de medium te klein was en me paniekerig maakte. Ik liet me in het water zakken en drukte de duikbril aan. Hij zoog goed vacuüm, dat had ik in de winkel al getest. Een klein straaltje water dat via je wenkbrauw naar binnen sijpelt en langzaam je vizier vol laat lopen leidt af van het onderwaterkijken, dat zou zonde zijn.

Na het nemen van een hap lucht dook ik onder, zette me af tegen de kant en schrok van de helderheid van het water. Ik had niet verwacht zoveel te zullen zien, en zo vlijmscherp, het zicht reikte tot de overkant van het bad. Ik zag de tegels, de roosters, de plukken haar op de bodem, de verloren pleisters en dwarrelende schilfertjes. Ik zag de mensen, de lijven, de zwemmende benen, de sportieve badpakken en een man met een strakke geruite zwembroek. Ik was binnen vijf slagen overprikkeld maar ben toch een uur doorgegaan zodat ik later tegen anderen zou kunnen zeggen dat ik s’ochtends een uur gezwommen had. Na een tijd ging het beter, ik moest er even inkomen, maar alsnog maakte het onderwaterzwemmen me erg moe, en het zwemmen met het gezicht boven water ervoer ik als eentonig. Iemand riep trots naar de badmeester dat ze zestig banen had gezwommen terwijl ik al twintig minuten in de hoek van het bad hing om mijn uur vol te maken. Toen de klok zei dat ik mocht gaan ging ik er snel uit, ik had het koud gekregen van het stilhangen.

Ik bleef bijna langer onder de warme douche staan dan ik had gezwommen—ik had de aanschaf van mijn Rotterdampas met de douchebeurt alleen al terugverdiend—en liep tevreden naar de kluisjes. Een man keek me in het voorbijgaan aan en er was iets opmerkelijks aan hem. Ik keek hem nog even na. Aan zijn donkerblauwe zwembroek kon ik niks ontdekken, zijn haar vond ik wel wat lang, maar in Charlois is dat niet ongebruikelijk. Ik kon het gevoel niet plaatsen. Mijn hersenen wilden waarschijnlijk gewoon inzicht in de situatie hebben, zoals mijn hersenen dat altijd willen, maar ik kan mijn hersenen voorgoed uit de droom helpen en ze vertellen dat het verlangen onvervuld zal blijven, alle situaties en daarmee het hele leven, ik zal het nooit helemaal begrijpen; daarom vind ik het ook zo interessant.

Even later zag ik de man opnieuw, hij stond bij de spiegel zijn haar te föhnen. Hij had zijn zwembroek verwisseld voor een zwarte leren jurk met taillevolants en bijpassende knielaarzen, zijn harige bovenbenen bleven onbedekt. De jurk deed me denken aan de witte latexjurk van Persephone, een personage uit The Matrix: Reloaded. Persephone wordt vertolkt door Monica Bellucci en ziet er uit als een zeemeermin doordat de latex ruches in de taille van haar jurk op vinnen lijken. In de film staat ze voor de spiegel in een toiletruimte haar lippen te stiften, met haar rug naar de kijker. Soms als ik lippenstift opdoe ga ik een klein beetje buiten de lijntjes, zodat mijn lippen meer op die van Persephone lijken. Mijn zus zegt dat deze truc niet werkt, mijn lippen lijken eerder schraal dan vol, maar ik geloof haar niet.

De man had intussen zijn föhn laten zakken en keek me met een vragende blik aan, ik liep snel door. Terwijl ik de trap afging richting de uitgang merkte ik hoeveel honger ik had. Ik dacht aan de baklava van de bakkerij die op de route lag, maar thuis had ik ook nog een krentenbol in de vriezer liggen waar mijn naam op stond. ‘Tessa!’ zeiden de krentjes, zoals mijn moeder vroeger verrast ‘Tessa!’ zei als ze een pakje uit de zak pakte op vijf December—alsof ik mijn moeders handschrift niet kon herkennen—en ze gaf me dan met een ingewikkelde conspiracy theory-achtige blik in haar ogen het cadeautje aan.

Ik ging naar huis, ontdooide de krentenbol en at hem langzaam op. Hij was inderdaad voor mij bedoeld, daar was ik heel zeker van.

Ik ben de beroerdste niet

Ik gooi een kruidnoot naar mijn vader, hij zit in zijn stoel voor de tv. De kruidnoot komt achter hem terecht, op de grond. Hij draait zich om en kijkt over de leuning om te zien waar hij is gevallen. Ik gooi er nog een. De kruidnoot landt precies in een openstaand spleetje van zijn overhemd, tussen twee knopen in. Mijn vader geeft geen reactie maar–het lijkt wel alsof ik een euro in een spaarpot gooi! Van bijna drie meter afstand! I am so LUCKY!