Koetsje van glas

Een aantal dingen die ik wil

  1. Ik wil een baljurk aantrekken, met een hoepel, hij reikt tot de grond. De jurk heeft meerdere lagen van verschillende stoffen; zijde, satijn, brokaat, hij is zwaar. Ik wil lang krullend haar hebben. Ik wil geen schoenen dragen. Ik wil van het uiterste vertrek van de linkervleugel naar de rechtervleugel rennen, omdat men mij dringend nodig heeft in de rechtervleugel.
  2. Ik wil op een paard door een woud galopperen, liever niet in het donker. In het woud staan grote luidsprekers waaruit een een koor klinkt, dat in een onverstaanbare taal een dramatisch stuk uitvoert. Bandieten zitten mij op de hielen maar ik overleef de achtervolging, mijn paard is sneller dan de paarden van de bandieten; zij zijn zwaarder bepakt.
  3. Ik wil een grote sterke donkere man zijn, met leren schoenen met dikke zolen. Ik loop door Rue du Faubourg Saint-Antoine, richting Place de la Nation, op weg naar een voor de lezer onbekend doel, misschien een afspraak met een vooraanstaand lid van het parlement of de inlichtingendienst. Ik loop omdat dit sneller is dan een taxi nemen.
  4. Naakt zwemmen.
  5. Een tompouce-marathon (vergelijkend warenonderzoek).

Het gif aan mijn tanden

Toen ik vijf jaar oud was had ik ‘smurfensnot’ gemaakt door een flinke scheut afwasmiddel in een boterhamzakje te spuiten en dat vervolgens dicht te knopen. Willeke, mijn campingvriendin had het me eerder laten zien. Het was glibberig en koel in je handen.

Ik zat in het gras bij de caravan met het zakje te spelen. Mijn moeder stond met de buurman te praten. Opeens knapte het zakje in mijn gezicht—het spul kwam in mijn ogen, het beet verschrikkelijk, ik kon niks anders dan krijsen, mijn moeder keek geschrokken toe. De buurman had meteen in de gaten was er was gebeurd; hij greep me van de grond, rende met mij in zijn armen naar zijn caravan, naar de douchecabine en draaide de kraan open, het water spoot met volle kracht in mijn ogen.

Jaren later zag ik een aflevering van Try Before You Die waarbij Filemon Wesselink te gast is bij een dorp in de Amazone. Het dorpje bevindt zich diep in de bossen en hanteert sjamanistische gebruiken. Filemon is uitgenodigd om deel te nemen aan een ritueel. Als voorbereiding worden er mieren verzameld, van een andere soort dan we in Nederland tegenkomen. De verzamelde mieren worden opgejut, ik weet niet meer hoe—ik vraag me af hoe je mieren opjut—er zullen meerdere mogelijkheden zijn.

Men komt bijeen in het midden van het dorp en de rite-deelnemers trekken gevlochten ovenwanten aan, waar de mieren in zijn gestrooid. Filemon besluit toch niet mee te doen. Dan beginnen trommelaars te spelen en de gehandschoenden beginnen te bewegen. De muziek is krachtig, de dans wordt stampend uitgevoerd, met de armen boven het hoofd, de handschoenen worden geschud. Het mierengif verspreidt zich in het bloed. Het ritueel duurt lang, zo lang als men het volhoudt en langzaamaan vertraagt de dans, de dansers dansen niet meer maar schuifelen, met gesloten ogen, voor de omstanders valt er steeds minder te zien.

Het ritueel doet me denken aan een verlangen dat ik heb; ik wil een keer per ongeluk in de sloot fietsen. Ik wil niet expres de sloot in sturen, het moet me overvallen. Het smurfensnot, de gifmieren en het in de sloot willen fietsen zijn wonderlijk met elkaar verbonden.

Zwemmen

In de straat achter de mijne is een nieuw zwembad gebouwd. Het is al een tijdje open, ik wilde al een tijdje gaan, maar het voornemen heeft een half jaar aanmoediging nodig gehad voordat het gerealiseerd kon worden. Vanochtend voelde het eindelijk alsof het juiste moment daar was.

Ik pakte mijn zwemspullen en mijn Rotterdampas, meer was er blijkbaar niet voor nodig, en tweeëneenhalve minuut later liep ik een lange tegelgang door, op weg naar de kleedkamers. Er hing een frisse, levendige energie in het gebouw. De lange tegelgang had veel ramen, ik kon mijn huis zien liggen en kreeg zin om door de gang te rennen. Als ik geen teenslippers aan had gehad maar sokken en schoenen, had ik mijn schoenen uitgedaan en was ik op mijn sokken over de gladde plavuizen gegleden. Als mijn buurvrouw dan toevallig uit haar keukenraam had gekeken zou ze gedacht hebben dat ik op een vliegveld-loopband stond.

Na het omkleden en met de kluissleutel van kluis vijfenveertig om mijn pols (waar alleen mijn teenslippers, shirt en Rotterdampas in lagen), begaf ik me naar de hal van het wedstrijdbad. Het was een grote hal, ik zag mensen in de verte baantjes trekken en er was in de dichtstbijzijnde baan een zwemles bezig. Een badmeester zwaaide naar me vanuit de verte. Hij gebaarde dat ik naar hem toe moest komen—wat ik gewillig deed—en hij legde me uit wat de bedoeling van alles was (zwemmen), ik oogde ‘alsof ik het niet begreep’.

Onderwaterkijken vind ik een van de mooiste dingen die er zijn, ik heb daarom kortgeleden een duikbril (met neusstuk) bij de Decathlon op de Coolsingel gekocht. De bril is een large, omdat de medium dingen met mijn gezicht deed die ik liever niet benoem. Ik liet me in het water zakken en drukte de duikbril aan. Hij zoog goed vacuüm, dat had ik in de winkel al getest. Een klein straaltje water dat via je wenkbrauw naar binnen sijpelt en langzaam je vizier vol laat lopen leidt af van het onderwaterkijken, dat zou zonde zijn.

Na het nemen van een hap lucht dook ik onder, zette me af tegen de kant en schrok direct van de helderheid van het water. Ik had niet verwacht zoveel te zullen zien, en zo vlijmscherp, het zicht reikte tot de overkant van het bad. Ik zag de tegels, de roosters, de plukken haar op de bodem (nou ja plukken, een vogel zou er een gebruiksklaar nest aan hebben), de verloren pleisters en andere dwarrelende, ondefinieerbare stukjes materie. Ik zag de mensen, de lijven, de zwemmende benen, de sportieve badpakken en een man met een strakke geruite zwembroek. Ik was al binnen vijf slagen overprikkeld maar ben toch een uur doorgegaan want dan zou ik later tegen anderen kunnen zeggen: ‘Ik heb vanochtend een uur gezwommen’.

Na een tijdje ging het beter, ik moest er gewoon even inkomen, maar alsnog maakte het onderwaterzwemmen me erg moe, en het zwemmen met het gezicht boven water (zonder duikbril, om niet op Jarjar te lijken) ervoer ik als eentonig. Iemand riep trots naar de badmeester dat ze zestig banen had gezwommen terwijl ik al twintig minuten in de hoek van het bad hing om mijn uur vol te maken. Toen de klok zei dat ik mocht gaan ging ik er snel uit, ik had het koud gekregen van het stilhangen. Ik bleef bijna langer onder de warme douche staan dan ik had gezwommen—ik had de aanschaf van mijn Rotterdampas met de douchebeurt alleen al terugverdiend—en liep tevreden naar de kluisjes.

Een man keek me in het voorbijgaan aan en er was iets opmerkelijks aan hem. Ik keek hem nog even na. Aan zijn donkerblauwe zwembroek kon ik niks ontdekken, zijn haar vond ik wel wat lang, maar in Charlois is dat niet ongebruikelijk. Ik kon het gevoel niet plaatsen. Mijn hersenen wilden waarschijnlijk gewoon inzicht in de situatie hebben, zoals mijn hersenen dat altijd willen, maar ik kan mijn hersenen voorgoed uit de droom helpen en ze vertellen dat het verlangen onvervuld zal blijven, alle situaties en daarmee het hele leven, ik zal het nooit helemaal begrijpen, daarom vind ik het ook zo interessant.

Even later zag ik de man opnieuw, hij stond bij de spiegel zijn haar te föhnen. Hij had zijn zwembroek verwisseld voor een zwarte leren jurk met taillevolants en bijpassende knielaarzen, zijn harige bovenbenen bleven onbedekt. De jurk deed me denken aan de witte latexjurk van Persephone, een personage uit The Matrix: Reloaded. Persephone wordt vertolkt door Monica Bellucci en ziet er uit als een zeemeermin doordat de latex ruches in de taille van haar jurk op vinnen lijken. In de film staat ze voor de spiegel in een toiletruimte haar lippen te stiften, met haar rug naar de kijker. Soms als ik lippenstift opdoe ga ik een klein beetje buiten de lijntjes, zodat mijn lippen meer op die van Persephone lijken. Mijn zus zegt dat deze truc niet werkt, mijn lippen lijken eerder schraal dan vol, maar ik geloof haar niet.

De man had intussen zijn föhn laten zakken en keek me met een vragende blik aan, ik liep snel door. Terwijl ik de trap afging richting de uitgang merkte ik hoeveel honger ik had. Ik dacht aan de baklava-bakkerij die op de route lag, maar thuis had ik ook nog een krentenbol in de vriezer liggen waar mijn naam op stond. ‘Tessa!’ zeiden de krentjes, zoals mijn moeder vroeger verrast ‘Tessa!’ zei als ze een pakje uit de zak pakte op 5 December—alsof ik mijn moeders handschrift niet kon herkennen—en ze gaf me dan met een ingewikkelde conspiracy theory-achtige blik in haar ogen het cadeautje aan.

Ik ging naar huis, ontdooide de krentenbol en at hem langzaam op. Hij was inderdaad voor mij bedoeld, daar was ik heel zeker van.

Ik ben de beroerdste niet

Ik gooi een kruidnoot naar mijn vader, hij zit in zijn stoel voor de tv. De kruidnoot komt achter hem terecht, op de grond. Hij draait zich om en kijkt over de leuning om te zien waar hij is gevallen. Ik gooi er nog een. De kruidnoot landt precies in een openstaand spleetje van zijn overhemd, tussen twee knopen in. Mijn vader geeft geen reactie maar–het lijkt wel alsof ik een euro in een spaarpot gooi! Van bijna drie meter afstand! I am so LUCKY!

Op het witte strand

Ik loop de zee in, de zon schijnt vurig.

Ik duik en zwem een stuk. Onderwater zwemmen in de zee is verschrikkelijk als je geen duikbril hebt, maar het voelt als een lekker mysterieus Brigitte Bardot-achtig iets om te doen. Mijn lange haar zweeft achter mij aan. Ik kom weer boven en zwem richting de vloedlijn tot het stuk waar ik met mijn voeten bij de bodem kan. Ik loop langzaam naar het land. Als ik vanaf mijn navel boven water ben voel ik dat de zon de druppels op mijn schouders laat verdampen. ‘Is dat niet een beetje snel’ denk ik nog, maar het blijkt van niet. Mijn haar druipt via mijn rug mijn zwembroek in en ik loop het strand op.

Ik ga op mijn rug in het zand liggen, als een zeester. God weet dat dit mijn lievelingsbezigheid is. Je verschijnt op het strand. Je zag me al vanuit de struiken toen ik nog in zee was. Je loopt naar me toe en kijkt op me neer. Ik zie er niet onaardig uit in mijn groene bikini die ik bij COS aan de Karel Doormanstraat heb gekocht in een oud vervelend vervlogen tijdperk. In volledig natuurlijke staat ben ik niet want dan zou ik geen wenkbrauwen hebben, maar die heb ik vanochtend even bijgetekend met een waterproof potloodje. Vrouwen zijn echt valse berekenende trutten weet je dat. Ik in ieder geval wel.

Reïncarnatie

Ik denk weleens dat ik de reïncarnatie van een Griekse godheid ben. Dit gedachtegoed is niet uit de lucht komen vallen, maar is gegroeid in een tijdsspanne van ongeveer een jaar.

Ik ben een keer naar een verkleedfeest gegaan als Artemis, de godin van de jacht. Ik had een witte japon gemaakt, een pijl en boog, en op mijn schouder had ik een met vilt bedekte plastic eekhoorn bevestigd – ik vond het typisch iets voor Artemis om met een eekhoorn op de schouder rond te lopen. Ik droeg de leren touwtjessandalen van mijn zus, die dansen uitsloten, hoewel de eekhoorn, pijl en boog en bladertakken in mijn haar me ook enigszins hinderden.

Een tweede reden voor het denken dat ik een Griekse godheid ben geweest in een vorig leven is dat ik een rok met verticale strepen heb. Die strepen lijken op cannelures, smalle pilaargroeven, die de Grieken in hun decoratieve repertoire opnamen omdat ze zich lieten inspireren door bossen samengebonden rietstengels. Deze rok heeft een split aan de voorkant waar je u tegen kunt zeggen, fietsen is onaangenaam met deze rok.

Het laatste argument dat ik wil aandragen is dat ik kortgeleden een pepermolentje op een tafel in een restaurant zag staan, de pepermolen was van het merk ‘Apollo’. Het aantreffen van een voorwerp met een dergelijke naam maakt voor mij elk tegenargument verwaarloosbaar, alleen de alwetende kosmos is zo briljant en doortastend om mij deze knipoog van bevestiging te schenken.

Ik heb veel te veel cruesli gegeten

Ik heb nieuwe blush gekocht bij de Kruidvat vanmiddag. Het zit in een roze kartonnen doosje in de vorm van een hart. Het is van het merk ‘I love make-up’ en het heet ‘Blushing Hearts Triple Baked Blusher’, in de kleur Candy, Queen of Hearts. Het is wel erg roze. Ik ben vanavond bij mijn ouders en heb het voor de spiegel in de bijkeuken opgedaan met mijn vingers. Ik loop naar mijn vader die druk in de weer is met fruitschillen in het schillenbakje doen. ‘Kijk pap’ zeg ik en ik hou mijn roze wangen zo dichtbij dat hij genoodzaakt is om iets te zeggen. ‘Prachtig’ zegt hij met een gezicht alsof hij het wel grappig vindt, maar ook wel erg roze en dat hij niet begrijpt waarom iemand zulke felroze wangen zou willen hebben, maar ik kan het uitleggen: altijd als ik heel hard eiwitten of slagroom opklop en daarna in de spiegel kijk zie ik er zo gezond uit en de kleur die ik dan heb is onmiskenbaar ROZE, niet de kleur van de rouge die ik altijd gebruik, die is NIET GOED, het moet ROZE zijn, ik wil er gezond uitzien alsof ik hard heb gerend of op volle snelheid taart heb staan maken, of dat ik een knappe jongen heb uitgenodigd bij een voordrachtavond en dat hij ook echt opdaagt en ik dan terwijl we bij de felverlichte bar staan iets heel doms zeg dat nergens op slaat, ZO wil ik eruitzien!

Alles is een verrassing

Als je zo gespleten bent als ik dan is alles een verrassing. Je kunt door een opwellend gevoel van sympathie besluiten een anonieme liefdesbrief te schrijven, die aan een heliumballon knopen (je hebt 4 heliumtanks overgehouden aan een mislukt kunstproject), en met een plechtige blik de brief vanaf je balkon de behoevende wereld in zenden, om het kosmische lot te laten bepalen wie hem zal ontvangen, om direct erna een fruitmes met roze handvat op de balkonrand te zien liggen (waarmee je eerder een appel in één behendige spiraalkerving van zijn schil hebt ontdaan), en dan vervolgens – na met een dichtgeknepen oog de afstand te hebben ingeschat – die met de botte punt door de briefkoerier gooien, en dus ontdek je dat de liefdesbrief door de kosmos klaarblijkelijk voor de tuin van de onderburen bedoeld is, voor de onderburen zelf: het stel waarvan de Chinees uitziende maar in Nederland opgegroeide, Xbox-liefhebbende jongen met een Leidse r, driemaal per dag zijn toerisme studerende, blauwe sloffen dragende vriendin – op maximale stemkracht – van zijn overtuiging dat haar denkvermogen zo begrensd is wil herinneren, een gegeven dat de capaciteit heeft om je elke keer weer te doen verstijven, nieuwsgierig je oren te doen spitsen en je hart te vergruizen, omdat de jongen niet zo wisselend van aard is als jijzelf blijven zijn uitbarstingen steeds weer negatief van toon; dat kun je horen door de vloer heen. Als hij zou roepen hoeveel hij van haar hield omdat ze bijvoorbeeld zo hard haar best deed met het dragen van de grindtegels voor de tuinreorganisatie dan zou de toon duidelijk anders zijn.

foe

Thee over mijn laptop

Theeee over mijn lap top!

Laptoppjjjjje

Jij staat daar zo lekker te lap top pen ja ja

Laptoppjjjjjjjjje!!

en altijd zo heel hard je best doen! best doen! best doen!

Denk aan iets leuks

Er zijn van die dagen die in een speciale map in je geheugen worden bewaard, speciale dagen. Als ik moet denken aan iets leuks schiet een bepaalde dag met twee vrienden in Avignon door mijn hoofd, maar als ik naga wat er nu echt is gebeurd weet ik niet zeker waarom. Die dag in Avignon had ik zelfvertrouwen en was ik een beetje dronken, wat geen bijzondere combinatie is, maar voor mij toen als zeventienjarige misschien toch wel. We haalden rosé bij de minimarket in de hoofdstraat en gooiden die over in lege Cristaline flessen. Ik had een nieuwe zwarte jurk aan en zwarte teenslippers, mijn vrienden Daniël en Timo droegen korte broeken en t-shirts. Daniël moest plassen en ik gaf hem een mooie Franse vraagzin mee om aan de ober van een restaurant te stellen, maar Daniël kwam twee keer terug omdat hij de zin niet kon onthouden, hij mocht uiteindelijk niet plassen. Wat ik me kan herinneren is dat we in een park wandelden, best wel een groot park op een heuvel aan de rand van de stad, en dat er vanuit een zijpad dat achter struiken lag een klein kind in een trapauto tevoorschijn kwam, als een toneelspeler die vanachter het zijgordijn precies op het juiste moment opkomt. De trapauto zag eruit als een open koetsje met een paard ervoor, met een lichtgele parasol boven het zitgedeelte, en het kind keek ons geen twee keer aan en trapte door. We liepen weer de stad in, namen af en toe een slokje wijn en verzonnen leuke dingen om te zeggen, vooral ik was daar goed in. Het was druk in Avignon, heel gezellig, in de zomer wordt er een theaterfestival gehouden en zijn de straten vol met verklede mensen, muzikanten en toeristen. In een achterafstraat gingen Daan, Timo en ik een stripboekwinkel in en vond ik een stripboek over een heldin die Tessa heette, Tessa: Agent Intergalactique en ik wist dat het allemaal geen toeval was, ik wist dat we als een landend vliegtuig naar binnen werden gehaald; de lampen op de baan lichtten op en de seinen werden gegeven, die dag seinde iemand ons de goede kant op.